De prevalentie en de verschillende virusstammen

In de meeste landen bestaat voor PRRS geen meldingsplicht en is voor deze ziekte geen beheersprogramma van kracht. Als gevolg daarvan zijn er geen nauwkeurige land- of regiospecifieke cijfers voorhanden over de prevalentie van infecties met het wildtype van het virus.

De epidemiologische situatie
Het is nog steeds een raadsel wanneer PRRSv precies is opgedoken en wat de herkomst van het virus is. Hoewel in Noord-Amerika en Europa de eerste klinische uitbraken van PRRS pas in respectievelijk 1987 en 1990 werden gemeld, zijn er antistoffen tegen PRRSv aangetroffen in gearchiveerde bloedmonsters die al uit 1988 en 1979 dateren. Deze monsters waren afkomstig van varkens uit respectievelijk Oost-Duitsland en Canada. 

Wel weten we dat PRRSv wereldwijd gezien in bijna alle streken met varkenshouderijbedrijven voorkomt. Er zijn maar enkele streken waarin het niet voorkomt. De Europese landen waarin PRRSv niet voorkomt, bestaan momenteel uit Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Finland.
Aangenomen wordt dat als er PRRS heerst in gebieden met een hoge varkensdichtheid, doorgaans 60-80% van de bedrijven geïnfecteerd is. Alle onderzoeken die ernaar gedaan zijn, wijzen op een enorme genetische diversiteit van PRRSv-isolaten. In de meeste Europese landen komen alleen stammen van genotype 1 voor. Er zijn echter ook enkele landen, waaronder Denemarken, Duitsland, Hongarije en Polen, waar zowel genotype 1- als genotype 2-stammen zijn geïsoleerd. In Noord-Amerika en het grootste deel van Azië komt type 2 van PRRS het meest voor, al is in sommige gebieden ook genotype 1 van het virus geïsoleerd.


De prevalentie binnen een varkensbedrijf
De meeste varkensbedrijven zullen ofwel te kampen hebben met een endemische infectie, ofwel geheel infectievrij zijn. Het percentage varkensbedrijven waar op een bepaald moment een kortdurende, acute infectie heerst, is maar klein.  In geval van infectie zal een bedrijf doorgaans 2-4 maanden een episode met acute ziekte doormaken (de acute fase) en wordt daarna een geleidelijke terugkeer naar een ogenschijnlijk normaal productieniveau gezien (de endemische fase). Tijdens de endemische fase kunnen af en toe nog minder hevige uitbraken optreden, als het virus onder niet-immune subpopulaties van zeugen en biggen opnieuw gaat circuleren. Een infectie blijft normaal gesproken altijd aanwezig op het betreffende bedrijf, tenzij er gerichte maatregelen getroffen worden om de infectie te elimineren.
De seroprevalentie kan van bedrijf tot bedrijf verschillen. De seroprevalentie wordt namelijk door verschillende factoren beïnvloed, zoals het bedrijfstype, de varkensdichtheid, het aantal varkens op het bedrijf en de manier waarop de varkens gehouden worden.
Op een instabiel gesloten varkensbedrijf waar het virus onder de volwassen zeugen circuleert, kan het virus zich op een van de volgende manieren naar de kraamhokken verspreiden: door de geboorte van viremische biggen (als gevolg van transplacentaire infectie) of door besmetting van de kraamfaciliteiten via materialen die onbedoeld vanuit andere delen van het bedrijf zijn meegenomen. In een dergelijke situatie – waarbij het fokmateriaal instabiel is en viremische biggen ter wereld worden gebracht – zal het virus zich snel verspreiden. Bij de meeste geïnfecteerde varkensbedrijven blijkt seroconversie, volgens verschillende publicaties, al grotendeels te hebben plaatsgevonden als de dieren 8 tot 14 weken oud zijn. Aan het einde van de afmestperiode is doorgaans het merendeel van de varkens (circa 80-100%) seropositief. Het aandeel dieren dat geïnfecteerd is, wisselt echter per bedrijf.