Diagnostiek

Er is al aanzienlijk geïnvesteerd in de ontwikkeling van effectieve maatregelen voor de preventie, beheersing en eliminatie van PRRS. Een belangrijk aspect hierbij was de ontwikkeling en toepassing van betrouwbare, nauwkeurige en tijdig in te zetten diagnostische procedures.

Het aantonen van antistoffen

Het aantonen van antistoffen tegen PRRSv is een vorm van diagnostiek die nog volop in ontwikkeling is.

Meer info

Het aantonen van het virus

Methoden die het virus zelf kunnen aantonen, zijn handig om vast te stellen of een dier ziek is. Sommige van deze methoden worden echter vrijwel alleen bij wetenschappelijk onderzoek ingezet, omdat ze arbeidsintensief zijn, duur zijn en veel tijd kosten. Dat is ...

Meer info

Sequentieanalyse van PRRSv

Het in kaart brengen van genoomvariatie geeft meer inzicht in de overdracht van het virus en in overeenkomsten tussen virussen die op verschillende momenten en in verschillende geografische regio’s voorkomen. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van zowel sequentieanalyse als ...

Meer info

Speekselonderzoek

In 1997 werd voor het eerst vermeld dat het mogelijk is om speekselmonsters te gebruiken voor het diagnosticeren van PRRSv. Hier wordt alleen het gebruik in relatie tot PRRSv besproken, maar het is goed om te onthouden dat speekselmonsters ook bij vele andere ziekten ...

Meer info

Aangezien deze technieken nog steeds verder worden doorontwikkeld, is het van groot belang dat dierenartsen en belanghebbenden vanuit de sector hun handelen blijven baseren op de actuele beste praktijken. Zo blijft een goed afgestemde, sectorbrede aanpak van PRRS mogelijk. In dit deel van de website wordt beschreven hoe PRRS in het verleden werd vastgesteld en hoe dat tegenwoordig wordt gedaan.

Het bepalen van de testprocedure
Om de meest geschikte diagnostische aanpak te kunnen bepalen, zal eerst moeten worden vastgesteld wat men precies wil bereiken met de te gebruiken test. Mogelijke doelen zijn het aantonen van een infectie bij ten minste één varken op het bedrijf, het in kaart brengen van de prevalentie van het virus binnen het bedrijf, het bevestigen van blootstelling aan het virus of het vaccin, of het achterhalen van het moment waarop infectie is opgetreden.  Aan de hand van het doel kan vervolgens bepaald worden welke dieren getest moeten worden, hoeveel monsters er nodig zijn en wat voor weefsel onderzocht moet worden. Bij het interpreteren van afzonderlijke testuitslagen is voorzichtigheid geboden. Een enkele uitslag hoeft namelijk niet representatief te zijn voor de status van de andere varkens op het bedrijf. Verschillende dieren zullen immers op verschillende momenten geïnfecteerd zijn. Zodra is vastgesteld wat men met de test wil bereiken, kan de beroepsbeoefenaar bepalen of de test gedaan moet worden bij enkele afzonderlijke varkens, bepaalde subpopulaties of alle varkens op het bedrijf.

Zorgen voor de juiste steekproefomvang
Bij het bepalen van de benodigde steekproefomvang voor het diagnosticeren van PRRS zijn verschillende factoren van belang. Om onder de varkens op een bedrijf ten minste één positief monster te kunnen vinden, moet rekening worden gehouden met zaken als het aantal aanwezige varkens, de verwachte prevalentie van de ziekte onder deze varkens, de vereiste mate van zekerheid en de sensitiviteit en specificiteit van de te gebruiken test. Er zijn gelukkig tabellen beschikbaar die aan de hand van veel van dit soort factoren advies kunnen geven over de steekproefomvang. Daarmee is het mogelijk het aantal dieren te berekenen dat getest moeten worden om de prevalentie van PRRSv binnen een bedrijf te kunnen bepalen. 

Het kiezen van het juiste moment
Het is essentieel dat de test op precies het juiste moment wordt gedaan. Bepaalde aspecten van een infectie en de immuunrespons, zoals viremie, virusuitscheiding, de antistofrespons en het voorkomen van laesies, zijn namelijk aan een bepaalde periode gebonden (zie afbeelding 1).

Afbeelding 1. Geschikte diagnostische testen voor specifieke perioden in het beloop van de PRRSv-infectie


Bron: naar Cano, 2013; aangevuld met gegevens van Langenhorst et al. 2012, en Zimmerman et al. 2012




In grote lijnen zijn diagnostische testen in te delen in twee verschillende categorieën: testen voor het aantonen van het virus zelf en testen voor het aantonen van blootstelling aan het virus. Om het virus zelf te kunnen aantonen zijn monsters nodig waarin het virus aanwezig is. Dit kunnen monsters zijn van weefsel, een longspoeling (broncho-alveolaire lavage; BAL), vocht uit de borst, sperma, bloed of speeksel of omgevingsmonsters. Blootstelling aan het virus kan worden aangetoond in bloed, speeksel of transsudaat uit spierweefsel, door deze monsters te onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen PRRSv. De keuze voor een bepaald soort weefselmonster zal dus afhangen van verschillende factoren, waaronder het specifieke doel van de test, de te gebruiken diagnostische test en de beschikbare faciliteiten.
 
Belangrijk om bij stil te staan is ook dat mogelijk niet altijd elk type weefsel kan worden afgenomen en dat het afnemen, verwerken en bewaren van sommige soorten weefsel extra moeilijk of bewerkelijk zal zijn. Zo is een speekselmonster wel gemakkelijker te verkrijgen dan een monster van een longspoeling, maar niet geschikt voor individuele diagnostiek. Speekselmonsters bevatten namelijk speeksel van verschillende varkens die een hok delen (het speeksel wordt bijvoorbeeld verzameld met behulp van een speciaal touw waar de varkens op hebben gekauwd).

De diagnostische testen
Sinds de ontdekking van PRRSv zijn er verschillende technieken gebruikt om het virus en/of de antistoffen daartegen aan te tonen. Om uiteenlopende redenen worden enkele daarvan worden inmiddels in de praktijk vrijwel niet meer gebruikt. Mogelijke redenen zijn dat de technieken meer zijn toegespitst op gebruik bij wetenschappelijk onderzoek, te veel tijd kosten, te duur zijn of alleen gebruikt mogen worden door mensen die specialistische training hebben doorlopen. Verderop op de website worden kort de technieken beschreven die op het moment veel gebruikt worden. Ter illustratie worden ook enkele oudere procedures genoemd, om te laten zien dat de diagnostiek in de afgelopen jaren met grote sprongen vooruit is gegaan. In tabel 1 staat een overzicht van de belangrijkste kenmerken van de nieuwere en breder toegepaste technieken.

Tabel 1. De kenmerken van de voornaamste diagnostische testen
Diagnostische test Toepassingsbereik Opmerking
RT-PCR Zinvol wanneer de virusconcentratie in het serum op zijn hoogst is, d.w.z. 4-7 dagen na inoculatie; virus is niet meer aantoonbaar op 29-35 dagen na inoculatie (in lymfeklieren en tonsillen blijft het virus langer aanwezig) Hoge mate van sensitiviteit en specificiteit
IHC Zinvol tot 28 dagen na inoculatie; niet aanbevolen vanaf 90 dagen na inoculatie Hoge mate van specificiteit; matige sensitiviteit. Kan bij biggen virus aantonen dat via verticale transmissie is overgebracht; is mogelijk niet in staat om bepaalde genetisch afwijkende isolaten te herkennen
Directe immunofluorescentie Kan gebruikt worden in de eerste stadia van de infectie (1-28 dagen na inoculatie). Kan ook halverwege de infectie (30-70 dagen na inoculatie) worden toegepast, ofwel rechtstreeks ofwel onmiddellijk na de incubatie bij een kweek van cellen uit spoelvloeistof. Wordt niet aanbevolen voor de latere stadia van de infectie Is mogelijk niet in staat om genetisch afwijkende isolaten te herkennen
ELISA Bij controle op IgM is vroege opsporing mogelijk (vanaf 7 dagen na inoculatie). Detectie is mogelijk tot in de vergevorderde stadia van de infectie (ver na 100 dagen na inoculatie) Hoge mate van sensitiviteit en specificiteit; lage mate van sensitiviteit bij gebruik van speekselmonsters; de gevonden hoeveelheid antistof is niet per definitie een afspiegeling van de virulentie
FMIA In serum kunnen antistoffen mogelijk al vanaf 7 dagen na inoculatie en tot na 202 dagen na inoculatie worden aangetoond Hoge mate van sensitiviteit en specificiteit
Indirecte immunofluorescentie Voor opsporing van infecties in een vroeg stadium (vanaf 5 en 9 dagen na inoculatie voor respectievelijk IgM en IgG), tot 21-28 dagen na inoculatie (voor IgM) of 90-145 dagen na inoculatie (voor IgG) Hoge mate van specificiteit; wisselende sensitiviteit
Bron: gegevens van Ellingson, 2013

Toekomstverwachtingen voor de diagnostiek van PRRS
Er zal een gecombineerde aanpak nodig zijn om PRRSv-infecties op varkensbedrijven onder controle te krijgen en te elimineren. Deze aanpak zal moeten bestaan uit periodieke screening en het testen van vermoede ziektegevallen. Hoewel er inmiddels verschillende technieken bestaan waarmee PRRSv-infecties kunnen worden vastgesteld, is geen van de testen onder alle omstandigheden en bij alle dieren 100% betrouwbaar. Zo heeft periodiek gebruik van moleculaire technieken wel een goede mate van sensitiviteit en specificiteit bij het beoordelen van virusinfecties, maar worden bepaalde genetisch afwijkende virussen hierbij mogelijk niet herkend. En voor serologisch onderzoek gericht op het aantonen van antistoffen tegen PRRSv geldt dat deze testmethode wel inzicht geeft in eerdere blootstelling aan het virus, maar zich minder goed leent voor controle op persisterende infecties. Bovendien verandert gedurende het beloop van een infectie de hoeveelheid aantoonbare virusdeeltjes en antistoffen. Goede diagnostiek is dus alleen mogelijk bij een test op het juiste moment. Voor elk soort test geldt dat een fout-positieve of fout-negatieve uitslag grote nadelige gevolgen kan hebben voor beslissingen op bedrijfsgezondheidsgebied. Waar aangewezen, dienen monsters daarom met een andere testmethode nogmaals worden getest. Er komt dus heel wat kijken bij het interpreteren van de testuitslagen. Naarmate er steeds meer testmethoden bijkomen, is het steeds belangrijker om na te gaan of de juiste test gebruikt wordt, dat de test op het juiste moment wordt gedaan, dat de juiste dieren worden getest, en dat de uitslagen op de juiste manier geïnterpreteerd worden. Alleen dan is het mogelijk virusuitbraken aan te pakken, te voorkomen of te beheersen.