Het aantonen van antistoffen

Het aantonen van antistoffen tegen PRRSv is een vorm van diagnostiek die nog volop in ontwikkeling is.

Bepaalde testen vereisen zoveel tijd of middelen dat ze bijna alleen nog maar voor wetenschappelijk onderzoek worden ingezet. Een voorbeeld van een dergelijke test is de IPMA (Immunoperoxidase Monolayer Assay), een test met een hoge mate van specificiteit en sensitiviteit. Voor zover bekend was de IPMA de eerste serologische test voor het vaststellen van PRRS. Deze test werkt als volgt: antistoffen tegen PRRSv worden door met het virus geïnfecteerde cellen vastgehouden op een multi-titerplaat en vervolgens herkend door secundaire antistoffen die gelabeld zijn met peroxidase. Met behulp van een lichtmicroscoop kunnen vervolgens positieve monsters opgespoord en bekeken worden. De virusneutralisatietest (VNT) is een andere test voor het aantonen van antistoffen. De interpretatie van de resultaten kan bij deze test echter problematisch zijn.
 
Hoewel het aantonen van antistoffen een geschikte manier is om nieuwe PRRSv-infecties vast te stellen, leent deze methode zich minder goed voor het screenen van bedrijven waar in het verleden al een PRRSv-infectie heeft plaatsgevonden. Deze methode kan namelijk geen onderscheid maken tussen de antistoffen die door een nieuwe infectie zijn opgewekt en de antistoffen die nog in het lichaam aanwezig zijn als gevolg van een eerder doorgemaakte infectie of een vaccinatie.
 
ELISA
De test die het meest gebruikt wordt om antistoffen tegen PRRSv op te sporen, is de ELISA (Enzyme-linked Immunosorbent Assay). Deze test heeft een specificiteit en sensitiviteit van respectievelijk wel 99,9% en 98,8% (Iowa State University, 2010). Deze test maakt gebruik van het rijkelijk in PRRSv-deeltjes aanwezige N-eiwit, door met dit eiwit antistoffen tegen PRRSv uit weefselmonsters te binden aan het oppervlak van een gecoate plaat. Vervolgens kunnen met behulp van een aan peroxidase gekoppelde secundaire antistof, de antistoffen tegen PRRSv zichtbaar worden gemaakt. Er zijn verschillende soorten ELISA-testen ontwikkeld, met elk hun eigen toepassing. Zo zijn er speciale testen voor het herkennen van het vroege stadium van de infectie (waarbij de vroeg aanwezige immunoglobuline IgM wordt aangetoond) en voor het herkennen van PRRSv-isolaten met een nsp2-deletie.
 


Hoewel een ELISA snel en eenvoudig is uit te voeren, heeft deze methode toch enkele beperkingen. In veel gevallen varieert de immuunrespons namelijk van dier tot dier. Daarnaast is de hoeveelheid antistoffen die bij de test wordt aangetroffen, niet per definitie een goede afspiegeling van de virulentie van de isolaten. Bovendien kan het testresultaat beïnvloed worden door de aanwezigheid van antistoffen die dieren van hun moeder hebben meegekregen of via het voer hebben binnengekregen. Dit kan een fout-positieve uitslag opleveren. In een vroeg stadium van de infectie bestaat er bovendien kans op fout-negatieve uitslagen. Bij varkens die geregeld geïnfecteerd raken, kan het nodig zijn om een testmethode te gebruiken waarmee het virus zelf kan worden aangetoond.

FMIA
Een FMIA (Fluorescent Microsphere Immunoassay) is eigenlijk een multiplexversie van de ELISA. Hierbij worden verschillend gekleurde fluorescerende bolletjes gebruikt die zich aan verschillende antistoffen tegen PRRSv zullen binden. Deze antistoffen kunnen vervolgens zichtbaar worden gemaakt door middel van met fluorescerende stof gelabelde secundaire antistoffen. Met deze techniek kan een enkel klein monster gelijktijdig op meerdere antistoffen worden gecontroleerd. Bij gebruik van serum heeft de FMIA een sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk 98% en 95% laten zien. Bij gebruik van speeksel, waarvoor de sensitiviteit van conventionele ELISA-testen als laag bekendstaat, levert de FMIA een sensitiviteit van ruim 92% en een specificiteit van 95% op. Bovendien heeft een FMIA in vergelijking met een ELISA een hogere mate van sensitiviteit bij het opsporen van infecties in een vroeg stadium.
 
Indirecte immunofluorescentie
Indirecte immunufluorescentie lijkt op de IPMA, maar maakt voor het zichtbaar maken van de gebonden antistoffen tegen PRRSv gebruik van secundaire antistoffen die gelabeld zijn met een fluorescerende stof in plaats van peroxidase. De specificiteit van indirecte immunofluorescentie is goed, maar de sensitiviteit wordt door veel verschillende factoren beïnvloed. Enkele daarvan zijn het soort cellen waarmee de antistoffen gebonden worden, het in het laboratorium gevolgde protocol en het antigeenprofiel van de antistoffen tegen PRRSv. Indirecte immunofluorescentie wordt doorgaans na een ELISA gebruikt, om te controleren of de ELISA een fout-positief resultaat heeft opgeleverd. Ook bij screeningsprogramma’s is echter gebruikgemaakt van indirecte immunofluorescentie, voor analyse van speeksel of transsudaat uit spierweefsel.
 
Teststrips voor gebruik op het bedrijf
Net als voor het aantonen van het virus zelf, zijn er tegenwoordig teststrips verkrijgbaar waarmee al op het bedrijf zelf gecontroleerd kan worden op de aanwezigheid van PRRSv-specifieke antistoffen (hierbij wordt gebruikgemaakt van het in het virus aanwezige N-eiwit). Deze teststrips zijn goedkoop, snel en gemakkelijk in het gebruik, er is geen dure apparatuur voor nodig, en ze hebben naar verluidt een sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk 93% en 98% (Lyoo et al., 2005; Cui et al., 2008). Toch worden ze vooralsnog niet op grote schaal ingezet. En net als bij andere vormen van antistofbepaling is het zo dat antistoffen van genetisch afwijkende PRRSv-stammen mogelijk niet worden herkend.
 

Voor een nauwkeurigere diagnose: isolaatkarakterisering
In veel gevallen zal het van belang zijn om het isolaat dat de infectie heeft veroorzaakt in kaart te brengen. Die informatie kan namelijk gebruikt worden om gepaste maatregelen te treffen (zoals het verplaatsen van varkens naar een ander bedrijf), om de verspreiding van het isolaat vast te stellen en om te achterhalen of er onder een populatie varkens een nieuw isolaat circuleert. Men heeft moleculaire technieken, waaronder RFLP en sequentieanalyse, gebruikt om een exacter beeld te krijgen van verschillende PRRS-virussen die met behulp van conventionele testen waren aangetoond.