Immuniteit tegen PRRSv

Bij een acute virusinfectie slaagt het immuunsysteem er meestal binnen 1 à 2 weken na besmetting in om de ziekteverwekker uit het lichaam te klaren.

Specifieke afweerreacties tegen PRRSv

Het PRRS-virus wekt ongewone specifieke afweerreacties op voor wat betreft de ontwikkeling van de neutraliserende antistoffen en de cellulaire immuniteit.

Meer info

Omzeilde afweerreacties

Zoals eerder beschreven is de interactie met macrofagen en dendritische cellen een eerste mechanisme waarmee het virus zich aan de afweerreacties van de gastheer kan onttrekken. Macrofagen en dendritische cellen vertegenwoordigen namelijk de overgang van aspecifieke naar ...

Meer info

Bij PRRSv-infecties kunnen twee opeenvolgende fasen onderscheiden worden:

1- een viremische fase, die enkele dagen tot enkele weken kan duren, afhankelijk van de leeftijd van het geïnfecteerde varken en van de virusstam waarmee het varken geïnfecteerd is; en
2- een niet-viremische fase, waarbij het virus mogelijk maandenlang in het lymfeweefsel aanwezig blijft. Het is niet precies duidelijk hoe het virus zo lang in het lichaam aanwezig kan blijven. Het persisterende karakter van de infectie berust vermoedelijk op meerdere factoren, waaronder in elk geval de interactie tussen het virus en het immuunsysteem van de gastheer, de genetische achtergrond van het varken en de specifieke virusstam waarmee het varken geïnfecteerd is.

PRRSv en de aspecifieke afweer
Het PRRS-virus richt zich op gedifferentieerde macrofagen en waarschijnlijk ook op conventionele dendritische cellen. Beide celsoorten spelen een centrale rol in de overgang van aspecifieke naar specifieke afweer. Hoe gevoelig macrofagen zijn voor de infectie, lijkt volgens recente onderzoeken af te hangen van het genotype van het virus en van de polarisatie van de macrofaag. Men denkt dat PRRSv bepaalde cruciale elementen in dit type cellen kan beïnvloeden of verstoren. Kort na het ontdekken van het virus wees onderzoek al uit dat PRRSv de type I-interferonrespons in macrofagen remt.

PRRSv kan zich in verschillende soorten dendritische cellen vermenigvuldigen. Dit kan resulteren in remming van type I-interferonen en in diverse andere veranderingen in de onderzochte dendritische cellen, zoals fenotypische veranderingen, functionele veranderingen en veranderingen in de cytokinenrespons. Deze effecten lijken gedeeltelijk af te hangen van de PRRSv-stam waarmee het varken geïnfecteerd is. De remming van type I-interferonen is in elk geval ten dele toe te schrijven aan de interactie tussen de niet-structurele eiwitten in het virus en de cellulaire interferonsignaaltransductieroutes.
 
Plasmacytoïde dendritische cellen reageren niet op een infectie met PRRSv. Het vermogen om de interferon-ɑ-respons van plasmacytoïde dendritische cellen te remmen, lijkt opvallend genoeg afhankelijk te zijn van de virusstam; bij isolaten van genotype 1 blijkt het remmende effect beperkt te zijn.
Ook is aangetoond dat de infectie kan aanzetten tot de aanmaak van immunosuppressieve cytokinen, zoals IL10. Welke rol deze cytokinen spelen bij een PRRSv-infectie is echter nog niet helemaal duidelijk. Het is nog niet precies in kaart gebracht welke afweermechanismen door PRRSv veranderd of gereguleerd worden, maar wel is al duidelijk aangetoond dat het virus de aspecifieke afweer beïnvloedt.

PRRSv en de specifieke afweer
Kenmerkend voor de specifieke afweer van varkens tegen PRRSv is dat de afweerrespons pas laat optreedt en ontoereikend is. Na een via de natuurlijke weg opgelopen infectie duurt het minstens 3 maanden voordat de afweerrespons op zijn hoogtepunt is. Bovendien lijkt deze respons onvoldoende te zijn om herinfectie te voorkomen, met name als de PRRSv-stam die de infectie veroorzaakt een heteroloog antigeen betreft. Bij met PRRSv geïnfecteerde varkens vindt in de longen geen betekenisvolle expressie van pro-inflammatoire cytokinen plaats, bijvoorbeeld van type I-interferonen (IFN-α/β), interleukine (IL)-1 en TNF-α. De expressie van type I-interferonen is van belang voor het activeren van de aspecifieke afweer. De downregulatie van INF-α zou een cruciale stap kunnen zijn in de pathogenese van PRRSv. Van INF-α is namelijk bekend dat het de replicatie van PRRSv kan remmen. De zwakke aanvankelijke aspecifieke afweerreactie zou dus tot gevolg kunnen hebben dat het virus langer in het geïnfecteerde varken kan overleven.
Nadat een varken geïnfecteerd is geraakt, is de eerste en sterkste antistofrespons gericht tegen het N-eiwit. Deze respons is 5-9 dagen na de inoculatie meetbaar. Antistoffen tegen de twee niet-structurele eiwitten nsp1 en nsp2 kunnen 14 dagen na inoculatie worden aangetoond, en bereiken hun hoogste concentratie op 28-35 dagen na inoculatie. Deze in het beginstadium aangemaakte antistoffen zijn allemaal niet-neutraliserende antistoffen. De eerste neutraliserende antistoffen verschijnen pas op zijn vroegst 4 weken na inoculatie. De neutraliserende antistofrespons tegen de neutraliserende epitoop GP5 is zwak en komt pas laat op gang. Sommige varkens vertonen zelfs helemaal geen waarneembare antistofrespons tegen GP5. Het mechanisme achter de zwakke antistofrespons tegen GP5 houdt verband met de N-glycosyleringsproducten die de neutraliserende epitoop omgeven. Dit fenomeen staat bekend als ‘N-glycan shielding’. In het geval van type 2-PRRSv is het bovendien zo dat GP5 codeert voor een soort ‘lokepitoop’ op positie aa27-30. Deze epitoop heeft geen neutraliserende functie, maar kan wellicht de humorale afweerrespons op het verkeerde been zetten en er zo voor zorgen dat het langer duurt voordat er neutraliserende antistoffen tegen PRRSv worden gevormd.